DE INTERNATIONALE ETHISCHE CODE
voor coaches, mentoren & supervisoren
PRE-AMBULE
Overwegende dat:
• alle bij de NOBCO aangesloten coaches bij hun aansluiting hebben verklaard te zullen “werken volgens de
Ethische Gedragscode van de NOBCO (EGC) en zich bij klachten te zullen onderwerpen aan het bij deze
gedragscode behorende klachtenreglement, zoals deze thans luiden of in de toekomst zullen komen te
luiden”
• door de aansluiting van de NOBCO bij de European Mentoring & Coaching Council (EMCC) alle bij de
NOBCO aangesloten coaches tevens individueel lid zijn van de EMCC
• de EMCC en de Association for Coaching (AC) in februari 2016 gezamenlijk een nieuwe ethische code voor
coaches en mentoren in het leven hebben geroepen: de “Global Code of Ethics for Coaches & Mentors” en
dat alle leden van EMCC en AC vanwege hun lidmaatschap geacht worden deze nieuwe ethische code te
volgen
heeft het bestuur van de NOBCO besloten om, met handhaving van de drie oorspronkelijke uitgangspunten van de
EGC, te weten:
De NOBCO gaat ervan uit dat:
1. de coachee uiteindelijk zelf het beste weet wat goed voor hem is en zowel in zijn privé - als in zijn
professioneel bestaan zelf, op basis van eigen afwegingen, kan beslissen. wat hij wél of niet wil.
Dientengevolge is de coachee ook zelf verantwoordelijk voor de keuzen die hij maakt, en is hij in persoon
aanspreekbaar op zijn gedrag.
2. de coachee en de coach elkaar volkomen gelijkwaardig zijn, in die zin dat beiden unieke en complete
mensen zijn, vol mogelijkheden
3. tijdens coaching de doelen, middelen en keuzen van de coachee prioriteit hebben boven die van de coach.
de NOBCO Ethische Gedragscode (EGC) met ingang van 1 januari 2017 te vervangen door de “Internationale
Ethische Code voor coaches en mentoren” die – anders dan de EGC – voldoet aan de vereisten van de door o.a.
de EMCC bij de Europese Unie gedeponeerde “Professional Charter for Coaching and Mentoring”.
Met ingang van 1 september 2018 is van de Internationale Ethische Code onderstaande vs. 2 van kracht:

Introductie en Doel
Als ondertekenaars van deze Ethische Code (“de Code”) wensen alle in par. 5 vermelde ledenorganisaties (“de
organisaties) het volgende te verklaren:
Als ledenorganisaties richten wij ons op het handhaven en bevorderen van een excellente beroepsuitoefening in
coaching, mentoring en supervisie, een werkveld dat in toenemende mate geprofessionaliseerd wordt. Als
onderdeel van hun lidmaatschap hebben al onze leden, als coaches, mentoren, supervisoren, opleiders en
studenten, verklaard te zullen werken volgens de elementen en principes van deze ethische code.
Deze ethische code is afgestemd op en voldoet aan de eisen van de “Professional Charter for Coaching and
Mentoring“. Dit volgens Europese wetgeving opgestelde Charter is geregistreerd in de database van de Europese
Unie met initiatieven voor zelfregulering in Europa.
Deze ethische code is meer een richtinggevend dan een juridisch bindend document dat gedetailleerd precies
aangeeft wat een lid wel en niet doen mag. De code geeft aan welke zorgvuldige werkwijze in coaching, mentoring
en supervisie verwacht mag worden en bevordert de ontwikkeling van excellentie in beroepsuitoefening met als
doel om:
• voor al onze leden te voorzien in passende richtlijnen, verantwoordelijkheden en gedragsregels
• vast te leggen hoe van onze leden wordt verwacht dat zij in hun werk met cliënten handelen, zich gedragen
en presteren
• in samenhang met de professionele competenties van onze organisaties, richting te geven aan de
professionele ontwikkeling en groei van onze leden
• te dienen als richtsnoer voor diegenen die zich niet zozeer beschouwen als een professionele coach of
mentor maar in hun werk wel vaardigheden vanuit coaching of mentoring gebruiken.
• te dienen als basis voor het behandelen van klachten en het treffen van disciplinaire maatregelen op basis
van de in onze organisaties geldende klachtenprocedures.
Iedere ondertekenaar van de Code kan besluiten dat – om specifiek voor de eigen leden een compleet ethisch
kader te maken – ter aanvulling op de Code extra ethische principes en/of een gedragscode (die rechtdoet aan hun
eigen context, activiteit, lidmaatschapscriteria, lidmaatschapsstructuur enz.) gewenst zijn.
Deze toevoegingen mogen niet in strijd zijn met de essentie van de Code noch een verplichting voor de andere
ondertekenaars inhouden om ze over te nemen. Als onderdeel van voortdurende samenwerkende informatie uitwisseling
tussen beroepsorganisaties kunnen deze toevoegingen met de andere ondertekenaars worden
gedeeld.
De Ethische Code
De ethische code telt vijf paragrafen en bevat de algemene verwachtingen van onze beide organisaties inzake
professioneel gedrag en handelen alsmede een lijst van alle organisaties die deze Ethische Code hebben
ondertekend:
1. Terminologie
2. Werken met cliënten
3. Professioneel handelen
4. Excellente beroepsuitoefening
5. Ondertekenaars van de Internationale Ethische Code

1. Terminologie
a) Kortheidshalve worden in deze Code waar dit van toepassing is:
• Coachees, mentees, supervisees en studenten aangeduid als: “cliënten”
• Coaches, mentoren, supervisoren en opleiders aangeduid als “praktiserende leden” of “leden”
• Coaching, mentoring en supervisie aangeduid als “beroepsmatig werk”
• Coaching, mentoring end supervisie als “beroep”.
b) De ondertekenaars van deze Code zijn zich ervan bewust dat de termen “beroep” en “beroepsmatig”
gebruikt worden voor activiteiten die niet wettelijk geregeld zijn maar in toenemende mate
geprofessionaliseerd en zelfregelend worden.
c) De ondertekenaars van deze Code zijn zich ervan bewust dat de titels “coach”, “mentor” en “supervisor”
geen beschermde titels zijn maar gebruikt kunnen worden door ieder die in het werkveld werkzaam is,
ongeacht of deze lid is van een beroepsorganisatie.
d) Iedere organisatie zal nauwkeurig vaststellen welke van hun leden en andere belanghebbenden geacht
worden volgens deze Code te werken (hierna te noemen: de “leden’).
e) Voor goed begrip van deze Ethische Code is het van belang dat leden bekend zijn met de binnen hun eigen
organisatie geldende definities en terminologie betreffende de exacte betekenis van in deze code gebruikte
sleutelwoorden zoals bijv. coach, coaching, cliënt, lid, mentor, mentoring, opdrachtgever, supervisor,
supervisie en opleiding.


2. Werken met cliënten
Context
2.1 Wanneer zij – in welke hoedanigheid dan ook – beroepsmatig met cliënten werken zullen leden zich
gedragen in overeenstemming met deze Code, vastbesloten om het niveau van dienstverlening te bieden
dat redelijkerwijs van een praktiserend lid verwacht mag worden.
Contractering
2.2 Alvorens met een cliënt aan het werk te gaan dienen leden deze Code aan hun cliënten beschikbaar te
stellen en duidelijk te maken dat zij volgens deze Code zullen werken. Leden wijzen hun cliënten en
opdrachtgevers daarbij ook op de bestaande klachtenprocedures van hun organisaties.
2.3 Voordat zij met een cliënt gaan werken zorgen leden er voor dat hun cliënt op de hoogte is van de aard en
voorwaarden van een coaching-, mentoring- of supervisieovereenkomst, waaronder afspraken inzake
financiën, logistiek en vertrouwelijkheid en dat hij deze ook goed begrijpt.
2.4 Leden zetten hun beroepsmatige kennis en ervaring in om de verwachtingen van hun cliënten en
opdrachtgevers goed te begrijpen en het met hen eens te worden over hoe zij van plan zijn om hieraan te
voldoen. Leden proberen hierbij ook rekening te houden met de belangen en verwachtingen van andere
betrokkenen.
2.5 Leden zijn open over hun werkwijze en geven de cliënt en opdrachtgever op diens verzoek informatie over
de daarbij spelende processen.
2.6 Leden zorgen er voor dat de duur van de overeenkomst geschikt is om de doelstellingen van de cliënt en
de opdrachtgever te bereiken en werken actief aan de stimulering van de onafhankelijkheid en het
zelfvertrouwen van hun cliënt.
2.7 Leden zorgen er voor dat de setting waarin coaching, mentoring, supervisie of opleiding plaatsvindt
optimale voorwaarden biedt voor leren en reflectie en daarmee een betere kans dat de in de overeenkomst
vastgelegde doelen gerealiseerd kunnen worden.
2.8 Leden behoren te allen tijde de belangen van hun cliënt voorop te stellen maar tegelijkertijd te zorgen dat
deze de belangen van de opdrachtgever niet schaden.
Integriteit
2.9 Leden geven hun relevante professionele kwalificaties, lidmaatschap van een beroepsorganisatie, ervaring,
opleiding, certificeringen en accreditaties correct en eerlijk op aan cliënten, opdrachtgevers en collega’s.
2.10 In communicaties met anderen geven leden correct en eerlijk aan welke waarde zij als coach of mentor
zouden kunnen bieden.
2.11 Leden zorgen er voor dat in publicaties, promotiemateriaal of anderszins geen onjuiste of misleidende
claims worden gedaan of gesuggereerd inzake hun professionele vaardigheden, kwalificaties of
accreditatie. Leden schrijven werk, ideeën en materialen van anderen toe aan de auteur en claimen het
niet als eigen werk.
2.12 Leden handelen volgens de geldende wetgeving en zullen gedrag dat oneerlijk, onwettig, onprofessioneel
of discriminerend is nimmer aanmoedigen, ondersteunen of ermee samenwerken.
Vertrouwelijkheid
2.13 Tenzij zij wettelijk verplicht zijn om informatie te verstrekken nemen leden bij hun werk met cliënten de
hoogste mate van vertrouwelijkheid in acht met betrekking tot informatie over cliënten en opdrachtgevers.
2.14 Leden stemmen met cliënten en opdrachtgevers duidelijk af onder welke condities vertrouwelijkheid niet
kan worden gewaarborgd omdat zij wettelijk verplicht zijn om informatie te verstrekken (bijv. illegale
activiteiten, gevaar voor zichzelf of anderen en proberen het over deze beperking van vertrouwelijkheid
zoveel mogelijk eens te worden.
2.15 Leden houden passende en accurate dossiers van hun werk met cliënten, waaronder begrepen digitale
bestanden en communicatie, op een zodanige wijze bij dat vertrouwelijkheid, veiligheid en privacy
gewaarborgd zijn en alle in hun land van toepassing zijnde regelgeving met betrekking tot
gegevensbeveiliging en privacy gevolgd wordt.
2.16 Leden bespreken met cliënten dat zij supervisie/intervisie hebben en dat het mogelijk is dat zij hierbij
anoniem over de cliënt spreken. De cliënt moet worden verzekerd dat ook voor de supervisie/intervisie zelf
vertrouwelijkheid geldt.
2.17 Indien de cliënt een kind of een kwetsbare volwassene is maken leden met diens verzorgers of voogd
afspraken om te zorgen voor een mate van vertrouwelijkheid die in het belang van die persoon is en die
past binnen toepasselijke wet- en regelgeving.
Ongepaste interacties
2.18 Leden zijn verantwoordelijk voor het stellen en bewaken van duidelijke en passende grenzen betreffende
hun omgang, zowel fysiek als anderszins, met cliënten of opdrachtgevers en houden daarbij rekening met
culturele verschillen.
2.19 Leden onthouden zich van iedere romantische of seksuele verhouding met lopende cliënten of
opdrachtgevers. Daarnaast zullen leden attent zijn op de mogelijkheid van eventuele seksuele intimiteit met
bovengenoemden en passende actie ondernemen om deze intimiteit te vermijden dan wel de opdracht
beëindigen teneinde voor een veilige omgeving te zorgen.
Belangenverstrengeling
2.20 Leden maken geen misbruik van een cliënt of proberen niet om een ongepast voordeel vanuit de relatie te
verkrijgen – financieel of niet-financieel.
2.21 Om mogelijke belangenverstrengeling te voorkomen maken leden onderscheid tussen een beroepsmatige
relatie en andere soorten relaties.
2.22 Leden onderkennen de mogelijkheid van belangenverstrengeling van zakelijke of persoonlijke aard die uit
de werkrelatie kan voortvloeien en vinden daar snel een goede oplossing voor die geen nadeel voor de
cliënt of de opdrachtgever inhoudt.
2.23 Leden houden er rekening mee dat de relatie met een cliënt invloed kan hebben op de relaties met andere
cliënten en bespreken elke mogelijke belangenverstrengeling met degenen die daarmee te maken kunnen
hebben.
2.24 Leden bespreken ieder conflict openlijk met de cliënt en zijn bereid om zich uit de relatie terug te trekken
indien er een conflict ontstaat dat niet goed kan worden opgelost.
Beëindigen van professionele relaties & doorlopende verantwoordelijkheden
2.25 Leden respecteren het recht van de cliënt om de verbintenis op ieder gewenst moment te beëindigen, met
inachtneming van de hierover gemaakte afspraken in de coaching-, mentoring- of supervisieovereenkomst.
2.26 Als leden van mening zijn dat de cliënt of opdrachtgever beter gediend is met een ander praktiserend lid of
een andere vorm van professionele hulp moedigen zij de cliënt of opdrachtgever aan om de coaching,
mentoring of supervisie te beëindigen.
2.27 Leden begrijpen dat hun professionele verantwoordelijkheden ook ná beëindiging van de professionele
relatie voortduren. Deze omvatten::
• handhaving van de overeengekomen vertrouwelijkheid van alle informatie betreffende cliënten en
opdrachtgevers
• een veilige opslag van alle op de relatie betrekking hebbende dossiers en gegevens die voldoet aan
alle in hun land relevante regelgeving met betrekking tot gegevensbeveiliging en privacy
• vermijding van het misbruik maken van de vroegere relatie waardoor twijfel zou kunnen ontstaan
over de professionaliteit of integriteit van het lid of de beroepsgroep
• nakoming van alle gemaakte follow-up afspraken.
2.28 Leden dienen voorzieningen te treffen voor de overdracht van cliënten en dossiers in het geval van tijdelijke
arbeidsongeschiktheid of praktijkbeëindiging.


3. Professioneel handelen
Handhaven van de reputatie van het beroep
3.1 Leden gedragen zich op een wijze die te allen tijde positief afstraalt op en de goede reputatie handhaaft
van het beroep dat in toenemende mate geprofessionaliseerd wordt.
3.2 Leden tonen respect voor de variëteit van praktiserende leden en anderen binnen de beroepsgroep en voor
hun verschillende benaderingen van coaching, mentoring en supervisie.
Erkennen van gelijkheid en diversiteit
3.3 Leden houden zich aan de beginselen en het beleid van hun beroepsorganisatie ten aanzien van diversiteit.
3.4 Leden vermijden om, op welke grond dan ook, welbewust te discrimineren en proberen hun gevoel voor
mogelijke discriminatie aan te scherpen.
3.5 Leden kennen de mogelijkheid van onbewuste vooroordelen en streven naar een respectvolle en inclusieve
benadering die individuele verschillen omarmt en onderzoekt.
3.6 Als zij zien dat collega’s, medewerkers, dienstverleners, cliënten of deelnemers zich discriminerend
gedragen spreken leden hen hier op een ondersteunende manier op aan.
3.7 Leden letten in hun communicatie, gesproken, geschreven of non-verbaal, goed op onbedoelde
discriminatie.
3.8 Leden nemen deel aan ontwikkelingsactiviteiten die hun bewustzijn ten aanzien van gelijkheid en diversiteit
kunnen vergroten..
Schendingen van professioneel gedrag
3.9 Leden aanvaarden dat iedere in een klachtenprocedure gegrond bevonden overtreding kan leiden tot
sancties waaronder verlies van accreditatieniveau en/of lidmaatschap van de organisatie. In het belang van
cliëntveiligheid, het bewaken van kwaliteitsstandaarden en het handhaven van de reputatie van het beroep
kunnen de organisaties gegevens over dergelijke overtredingen onderling uitwisselen.
3.10 Een lid spreekt een ander lid er op aan wanneer hij redelijke grond heeft om aan te nemen dat dit lid zich
onethisch gedraagt en zal, indien dit niet tot een goede oplossing leidt, deze persoon bij de organisatie
aanmelden.
Wettelijke en statutaire verplichtingen
3.11 Leden dienen op de hoogte te blijven van en zich te houden aan relevante statutaire / wettelijke vereisten
in het land waar zij beroepsmatig werkzaam zijn en te werken binnen beleid / organisatorische procedures
in de context waarin zij werkzaam zijn.
3.12 Leden zorgen er, binnen de context van het land waarin zij werkzaam zijn, voor dat zij een passende
verzekering voor beroepsaansprakelijkheid hebben die dekking biedt voor hun werk als coach, mentor en
supervisor.


4. Excellente beroepsuitoefening
Vermogen om te presteren
4.1 Leden worden geacht te beschikken over de kwalificaties, vaardigheden en ervaring die past bij de
behoeften van de cliënt en dienen te werken binnen de grenzen van hun competentie. Indien nodig
verwijzen leden de cliënt naar een meer ervaren of geschikt praktiserend lid.
4.2 Leden zijn voldoende fit en gezond om hun beroepsmatige werk te doen. Als dat niet het geval is, of als zij
er niet zeker van zijn of zij qua gezondheid in staat zijn om hun werk te doen schakelen zij professionele
steun of hulp in. Indien noodzakelijk of wenselijk zorgt het praktiserend lid er voor dat zijn werk als coach
wordt beëindigd en dat de cliënt naar een ander praktiserend lid wordt verwezen.
Permanente supervisie/intervisie
4.3 Leden ontvangen supervisie van een voldoende gekwalificeerde supervisor of nemen deel aan een
intervisiegroep met een frequentie die past bij hun coaching-, mentoring- of supervisiepraktijk, de vereisten
van hun beroepsorganisatie en hun accreditatieniveau. Als alternatief kunnen zij aantonen dat zij actief
bezig zijn met een reflecterende werkwijze, bij voorkeur samen met collega’s van gelijk niveau en/of meer
ervaren collega’s.
4.4 Leden zorgen ervoor dat een al bestaande relatie met hun supervisor of lid van hun intervisiegroep de
kwaliteit van de supervisie / intervisie niet in de weg staat.
4.5 Om ondersteuning en/of advies te krijgen bespreken leden ethische dilemma’s en, mogelijke dan wel
werkelijke, overtredingen van deze Code met hun supervisor of intervisiegroep.
Voortdurende professionele ontwikkeling en reflectie
4.6 Leden ontwikkelen hun competentie als coach en/of mentor door het volgen van bij hun niveau passende
relevante opleiding en/of Permanente Educatie (PE)
4.7 Van leden wordt verwacht dat zij een bijdrage leveren aan de professionele gemeenschap die bij hun niveau
past. Dit kan verschillende vormen hebben, bijv. informele collegiale ondersteuning van andere
praktiserende leden, bijdragen aan het verder ontwikkelen van het beroep, onderzoek of schrijven.
4.8 Leden evalueren de kwaliteit van hun werk systematisch, bijv. door het vragen van feedback van cliënten,
hun supervisor / leden van hun intervisiegroep en andere belanghebbenden.